Italiaans : Nederlands Puoi andare tu a prendere Rebecca a scuola? = Kun jij Rebecca van school ophalen? andare a prendere = iem ophalen / iem afhalen perché = waarom / omdat Ho un appuntamento dal dentista. = Ik heb een afspraak bij de tandarts l'appuntamento = de afspraak il dentista / la dentista = de tandarts Allora devo finire di lavorare prima. = Dan moet ik eerder stoppen met werken. dovere = moeten prima = eerder Senti! = Luister! sentire = luisteren / horen devi lavorare = je moet werken il turno (di mattina) = de (ochtend)dienst per fortuna = gelukkig stare a casa = thuis zijn / thuisblijven mia madre = mijn moeder di nuovo = weer / opnieuw Dobbiamo fare sempre le stesse cose? = Moeten we altijd hetzelfde doen? stesso / stessa = dezelfde / hetzelfde la cosa = het ding / de zaak il cinema = de bioscoop