Wozzol

Controleer altijd of een woordenlijst correct is voordat je hem gaat leren.

  • Italiaans Nederlands
  • andare a vivere con = gaan samenwonen met
  • lassù = daarboven
  • il cellullare non prende = de telefoon heeft geen bereik
  • essere fuori = buitenshuis zijn
  • Dimmi un po' = Vertel eens
  • avere intenzione di fare qualcosa = iets van plan zijn te doen
  • concreto / a = concreet
  • fammi sapere = laat me weten
  • ci avevo già pensato = daar had ik al aan gedacht
  • pensarci = eraan denken
  • chiamatemi pure = bel me gerust
  • Ci mettiamo d'accordo = We spreken af
  • Ma figurati! = Geen dank, graag gedaan
  • Stammi bene = Het beste
  • la lettera = de letter, de brief
  • arredare = inrichten
  • essere disposto a = bereid zijn om
  • il lavoretto = het klusje
  • la particolarità = de bijzonderheid
  • prestare = lenen
  • siamo già a maggio = het is al mei
  • ricominciare = opnieuw beginnen
  • il sogno nel cassetto = de nog niet gerealiseerde droom
  • il sogno = de droom
  • il cassetto = de lade
  • mettere su un'attività in proprio = voor zichzelf beginnen
  • il giro del mondo = de wereldreis
  • emergere = naar voren komen
  • il sondaggio = de enquete
  • il campione = de steekproef
  • la traversata = de oversteek
  • vero / a e proprio / a = echt
  • ripartire = weer vertrekken
  • di sogni ne ho due = ik heb twee dromen
  • guadagnare = verdienen
  • quanto basta = genoeg
  • migliore = beter
  • da tempo = al lang
  • il suocero = de schoonvader
  • la suocera = de schoonmoeder
  • riflettere = nadenken
  • buttarsi = zich storten
  • l'impresa = de onderneming
  • dimenticare = vergeten
  • immediato / a = onmiddellijk