Wozzol

Controleer altijd of een woordenlijst correct is voordat je hem gaat leren.

  • Duits Nederlands
  • also = dus
  • sich entscheiden = beslissen
  • erwachsen = volwassen
  • die Erwartung = de verwachting
  • das Konto = de rekening
  • die Leidenschaft = de hartstocht
  • mögen = houden van
  • schaffen = redden
  • sich unterhalten = praten
  • der Witz = de mop
  • ansonsten = verder
  • deshalb / deswegen = daarom
  • der Forscher = de onderzoeker
  • genau = precies
  • die Heizung = de verwarming
  • der Körper = het lichaam
  • der Krach = het lawaai
  • krank = ziek
  • leider = helaas
  • ständig = voortdurend
  • die Stirn = het voorhoofd
  • trotz = ondanks
  • verrückt = gek
  • auf verzichten = afzien van
  • der Zug = de trein
  • die Ernährung = de voeding
  • fertig = klaar
  • der Geschmack = de smaak
  • satt = verzadigd
  • sich leisten = zich veroorloven
  • süß = zoet
  • die Tasse = het kopje
  • der Teller = het bord
  • der Topf = de pan
  • der Urlaub = de vakantie
  • der Aufenthalt = het verblijf
  • aufhören = ophouden
  • bereits = al
  • derzeit = momenteel
  • erhalten = krijgen
  • der Grund = de reden
  • innerhalb = binnen
  • das Lager = het magazijn
  • rauchen = roken
  • riesig = enorm
  • der Samen = het zaad
  • die Überschwemmung = de overstroming
  • die Umwelt = het milieu
  • vorher = van tevoren
  • während = tijdens
  • das Abitur = het eindexamen vwo
  • die Ausbildung = de opleiding
  • nachher = daarna
  • die Note = het cijfer
  • oder = of
  • der Spaß = het plezier
  • trotzdem = toch
  • wichtig = belangrijk
  • das Ziel = het doel
  • das Ergebnis = het resultaat
  • die Farbe = de kleur
  • die Gemütlichkeit = de gezelligheid
  • hingegen = daarentegen
  • langweilig = vervelend
  • manchmal = soms
  • Das Meer = de zee
  • nett = aardig
  • der Schatten = de schaduw
  • schüchtern = verlegen
  • sondern = maar
  • die Sprache = de taal
  • die Wahl = de keuze
  • die Wirkung = het effect
  • zwar = weliswaar
  • der Absatz = de alinea
  • als = toen
  • bedeuten = betekenen
  • bis = tot
  • bisher = tot nu toe
  • entscheidend = beslissend
  • jetzt = nu
  • kaum = nauwelijks
  • klar = duidelijk
  • die Lücke = de open plek
  • notwendig = noodzakelijk
  • offenbar = blijkbaar
  • weniger = minder
  • woher = waar vandaan
  • zuerst = eerst