Wozzol

Controleer altijd of een woordenlijst correct is voordat je hem gaat leren.

  • Duits Nederlands
  • der Montag = de maandag
  • der Dienstag = de dinsdag
  • der Mittwoch = de woensdag
  • der Donnerstag = de donderdag
  • der Freitag = de vrijdag
  • der Samstag / der Sonnabend = de zaterdag
  • der Sonntag = de zondag
  • am Wochenende = in het weekend
  • der Feiertag = de feestdag
  • der Arbeitstag = de werkdag
  • am Morgen = 's morgens
  • am Abend = 's avonds
  • heute Nachmittag = vanmiddag
  • der Feierabend = het einde van een werkdag
  • der Frühling = de lente
  • der Sommer = de zomer
  • der Herbst = de herfst
  • der Winter = de winter
  • der Norden = het noorden
  • der Süden = het zuiden
  • der Osten = het oosten
  • der Westen = het westen
  • das Zentrum = het centrum
  • abbiegen = afslaan
  • die Kreuzung = de kruising
  • die Ampel = het stoplicht
  • in der Nähe von = in de buurt van
  • überqueren = oversteken
  • geradeaus = rechtdoor