Wozzol

Controleer altijd of een woordenlijst correct is voordat je hem gaat leren.

  • Duits Nederlands
  • der Baum = de boom
  • die Bäume = de bomen
  • begründen = beargumenteren (je antwoord)
  • der Berg = de berg
  • die Berge = de bergen
  • beschreiben = beschrijven
  • die Blume = de bloem
  • die Blumen = de bloemen
  • Das ist egal. = Het maakt me niet uit.
  • der Fluss = de rivier
  • die Flüsse = de rivieren
  • der Garten = de tuin
  • genau = precies
  • hässlich = lelijk
  • die Hauptstadt = de hoofdstad
  • das Haus = het huis
  • die Häuser = de huizen
  • die Heimat = het vaderland
  • die Landschaft = het landschap
  • Das Meer = de zee
  • nirgends = nergens
  • schrecklich = verschrikkelijk
  • der See = het meer
  • der Strand = het strand
  • super = geweldig
  • überall = Overal
  • verschieden = verschillend
  • der Wald = het bos
  • bewölkt = bewolkt
  • der Regen = de regen
  • regnen = regenen
  • der Schnee = de sneeuw
  • schneien = sneeuwen
  • die Sonne = de zon
  • sonnig = zonnig
  • der Wind = de wind
  • windig = winderig
  • die Wolke = de wolk