Wozzol

Controleer altijd of een woordenlijst correct is voordat je hem gaat leren.

  • Engels Nederlands
  • absolutely = zeker
  • to act = acteren
  • to agree = mee eens zijn
  • air = lucht
  • all = allemaal
  • alone = alleen
  • amazing = bewonderenswaardig
  • any = nog
  • to ask = vragen
  • at = naar
  • Australian = Australisch / Australiër
  • awful = vreselijk
  • ball = bal
  • band = muziekgroep
  • basic = basis
  • bass (guitar) = bas
  • to be = zijn
  • before / for = voor
  • birthday = verjaardag
  • boy = jongen
  • to breathe = ademen
  • CD = CD
  • centre = centrum
  • comment = opmerking
  • company = bedrijf
  • concert = concert
  • cool = gaaf
  • to cut out = uitknippen
  • dirty = vies
  • to do = doen
  • drums = drums
  • DVD = dvd
  • email = e-mail
  • England = Engeland
  • episode = aflevering
  • everyday = elke dag
  • excellent = voortreffelijk
  • expression = uitdrukking
  • fantastic = fantastisch
  • favourite = favoriet
  • to find = vinden
  • four = vier
  • girl = meisje
  • to go = gaan
  • great = prachtig
  • group = groep
  • guitar = gitaar
  • guy = kerel
  • hamburger = hamburger
  • hard = moeilijk
  • her = haar
  • here = hier
  • hey =
  • Hi! = Hoi!
  • to hold = vasthouden
  • improvisation = improvisatie
  • internet = internet
  • interview = sollicitatiegesprek
  • jam = jam
  • joke = grap
  • just = alleen maar
  • lead = hoofd
  • to let = laten
  • to like = houden van
  • lyrics = songtekst
  • me = mij
  • men = mannen
  • moment = moment
  • negative = negatief
  • new = nieuw
  • object = voorwerp
  • Of course! = Natuurlijk!
  • on = op
  • or = of
  • order = volgorde
  • our / us = ons
  • outside = buiten
  • pair = paar
  • Paris = Parijs
  • pizza = pizza
  • play = spelen
  • plural = meervoud
  • positive = positief
  • to prepare = voorbereiden
  • pronoun = voornaamwoord
  • really = heel
  • scene = scène
  • score = stand
  • shame = jammer
  • situation = situatie
  • so = zo
  • song = liedje
  • sorry = sorry
  • star = ster
  • statement = bewering
  • story = verhaal
  • subject = onderwerp
  • such = zo'n
  • Swiss = Zwitsers / Zwitser
  • to take = meenemen
  • to tell = vertellen
  • terrible = verschrikkelijk
  • their = hun
  • them = hen
  • theme park = pretpark
  • they = zij
  • to think = denken
  • three = drie
  • time = tijd
  • title = titel
  • today = vandaag
  • together = samen
  • to try = proberen
  • to underline = onderstrepen
  • to want = willen
  • we = wij
  • when = wanneer
  • you = jij / u
  • your = jouw / uw
  • yourself = jezelf / uzelf