Wozzol

Controleer altijd of een woordenlijst correct is voordat je hem gaat leren.

  • Engels Nederlands
  • advertisement = reclame
  • ago = geleden
  • alright = goed / in orde
  • better = beter
  • bigger = groter
  • busier = drukker
  • car = auto
  • chance = risico
  • cheap = goedkoop
  • classroom = klaslokaal
  • closer / nearer = dichterbij
  • club = club
  • comparative = vergelijkende trap
  • to compare = vergelijken
  • comparison = vergelijking
  • consonant = medeklinker
  • cup = kopje
  • dangerous = gevaarlijk
  • to decide = beslissen
  • diving = duiken
  • to double = verdubbelen
  • easy = gemakkelijk
  • either = één van beide
  • to enter = meedoen
  • entry = inzending
  • Euro = Euro
  • exam = examen
  • faster = sneller
  • to forget = vergeten
  • freer = vrijer
  • friendlier = vriendelijker
  • hot = heet
  • hotter = heter
  • India = India
  • longer / taller = langer
  • tp miss = missen
  • newspaper = krant
  • older = ouder
  • old-fashioned = ouderwets
  • option = keuze
  • owner = eigenaar
  • presentation = presentatie
  • quiet = stil
  • quieter = stiller
  • to raise = inzamelen
  • relaxing = ontspannen
  • result = resultaat
  • rewrite = herschrijven
  • safe = veilig
  • safer = veiliger
  • sea = zee
  • to see / to watch = kijken
  • sick = ziek
  • snowboarding = snowboarden
  • sort of = zo ongeveer
  • tall = lang
  • test = toets
  • Thailand = Thailand
  • transport = vervoer
  • unfortunately = jammergenoeg
  • vowel = klinker
  • worse = erger
  • young = jong
  • piece = stuk
  • to plan = plannen
  • poem = gedicht
  • poet = dichter (es)
  • pumpkin = pompoen
  • to replace = vervangen
  • scarf = sjaal
  • Scottish = Schots
  • season = seizoen
  • September = september
  • several = enkele
  • sheep = schaap
  • shirt = overhemd
  • shoe = schoen
  • size = maat
  • skirt = rok
  • socks = sokken
  • spring = lente
  • to start = beginnen
  • stone = steen
  • summer = zomer
  • syllable = lettergreep
  • tartan = Schotse ruit
  • Tattoo = tatoeëring
  • through = door
  • to throw = gooien
  • tradition = traditie
  • trainers = sportschoenen
  • treat = traktatie
  • trick = streek / bedrog
  • trip = uitstapje
  • trousers = broek
  • trunk = boomstam
  • type = soort
  • warm = warm
  • warmth = warmte
  • winter = winter
  • witch = heks
  • women = vrouwen
  • waiter = ober
  • which = welk
  • to worry = zorgen maken
  • would = zou
  • yuck = bah
  • tomorrow = morgen
  • topic = onderwerp
  • total = totaal
  • tour = rondreis
  • tourist = toerist
  • train = trein
  • to travel = reizen
  • travel card = voordeelkaart
  • twenty-one = eenentwintig
  • university = universiteit
  • to visit = bezoeken
  • visitor = bezoeker
  • wax = was
  • world = wereld
  • wrong = verkeerd
  • year = jaar
  • you're welcome = graag gedaan