Wozzol

Controleer altijd of een woordenlijst correct is voordat je hem gaat leren.

  • Engels Nederlands
  • aircraft = vliegtuig
  • ankle = enkel
  • appointment = afspraak
  • aunt = tante
  • between = tussen
  • bone = bot
  • brave = moedig
  • break = breken
  • careful = voorzichtig
  • clean = schoonmaken
  • clothes = kleren / kleding
  • different = verschillend
  • disease = ziekte
  • doctor = dokter
  • feel = zich voelen / voelen
  • fight = vechten / vechten tegen / gevecht
  • have a look = kijken / even kijken
  • hear = horen
  • hospital = ziekenhuis
  • hurt = zich pijn doen
  • injury = verwonding
  • late = laat
  • leg = been
  • low = laag
  • mouth = mond
  • noisy = lawaaierig / druk
  • painful = pijnlijk
  • proud = trots
  • put = ergens in stoppen / ergens in doen
  • see = zien
  • shoe = schoen
  • survivor = overlevende
  • switch off = uitzetten
  • take = brengen / meenemen
  • text = sms’en
  • toe = teen
  • tooth / teeth = tand / tanden
  • uncle = oom
  • visible = zichtbaar
  • wash = wassen
  • yesterday = gisteren