Wozzol

Controleer altijd of een woordenlijst correct is voordat je hem gaat leren.

  • Frans Nederlands
  • le film policier = de thriller
  • le film d’action = de actiefilm
  • le film d’horreur = de horrorfilm
  • le film de science-fiction = de science-fictionfilm
  • le film classique = de klassieker
  • la comédie = de komedie
  • le documentaire = de documentaire
  • le dessin animé = de tekenfilm
  • le programme = het programma
  • l’entracte = de pauze
  • le chanteur = de zanger
  • la chanteuse = de zangeres
  • le musicien = de musicus
  • le billet = het kaartje
  • la salle = de zaal
  • réserver = reserveren
  • ça finit à = het is afgelopen om
  • le silence = de stilte
  • tourner = draaien
  • le Midi = het zuiden
  • il écrit = hij schrijft
  • le centre = het centrum
  • le monde = de wereld
  • faux = fout
  • deviner = raden
  • le film se passe = de film speelt zich af
  • il faut = er is nodig / er zijn nodig
  • sélectionner = selecteren
  • la résistance = het verzet / de weerstand
  • la guerre = de oorlog
  • principal = belangrijkste / voornaamste
  • bu = gedronken
  • autour de = rondom
  • pour cela = daarom
  • la route = de weg
  • je te tiens au courant = ik hou je op de hoogte
  • le concert = het concert
  • parti = weg / vertrokken
  • lui = hem
  • presque = bijna
  • amoureux = verliefd (m)
  • amoureuse = verliefd (v)
  • dehors = buiten
  • tu pars en vacances = jij gaat met vakantie
  • le stade = het stadion
  • appeler = opbellen
  • tant pis = niets aan te doen
  • attendu = gewacht
  • tu finis = jij bent klaar
  • voyons = laat eens kijken
  • on se voit = we zien elkaar
  • tu m’attends = jij wacht op mij
  • parfait = perfect
  • le guichet = het loket
  • il reste = er is over / er blijft over
  • attendre = wachten
  • je t’offre = ik trakteer je op
  • la comédie musicale = de musical
  • le moment = het ogenblik
  • le nom = de naam
  • vous devez = u moet / jullie moeten
  • retirer = afhalen
  • une demi-heure = een half uur
  • répéter = herhalen
  • le spectacle / la séance = de voorstelling
  • la nouvelle = het nieuws
  • je pars = ik vertrek
  • vous partez = jullie vertrekken / u vertrekt
  • vous venez = jullie komen / u komt
  • promis = beloofd