Wozzol

Controleer altijd of een woordenlijst correct is voordat je hem gaat leren.

  • Frans Nederlands
  • vécu = geleefd / beleefd
  • fameux = beroemd (m)
  • fameuse = beroemd (v)
  • l’association = de vereniging
  • la voie = de weg
  • la voie ferrée = de spoorweg
  • transformer = veranderen / omvormen
  • la piste cyclable = het fietspad
  • le point de départ = het vertrekpunt
  • municipal = gemeente / gemeentelijk
  • monter une tente = een tent opzetten
  • la roulette = het wieltje
  • tester = testen
  • le sommeil = de slaap
  • certains = sommigen
  • la lune = de maan
  • l’angoisse = de angst
  • le fou rire = de slappe lach
  • le virage = de bocht
  • le parcours = de route
  • nocturne = nachtelijk
  • copieux = copieuse overvloedig / copieus
  • d’habitude = gewoonlijk
  • reprendre courage = weer moed vatten
  • attaquer = aanvallen
  • le témoignage = de getuigenis
  • en sens inverse = in tegenovergestelde richting
  • présent = aanwezig
  • je vis = ik leef / ik woon
  • la distraction = het vermaak / de verstrooiing
  • mener une enquête = een onderzoek doen
  • auprès de = bij
  • chacun = ieder (m) / elk (m)
  • chacune = ieder (v) / elk (v)
  • l’indépendance = de onafhankelijkheid
  • la solitude = de eenzaamheid
  • l’herbe = het gras
  • le bonheur = het geluk
  • tranquille = rustig
  • l’habitant = de inwoner
  • l’espace = de ruimte
  • s’allonger = zich uitstrekken / gaan liggen
  • le ciel = de hemel
  • l’ennui = de verveling
  • obligé = verplicht
  • heureux = gelukkig (m)
  • heureuse = gelukkig (v)
  • l’inconvénient = het ongemak / het nadeel
  • proche = dichtbij
  • bientôt = binnenkort / gauw
  • la liberté = de vrijheid
  • le chantier = de werkplaats
  • le bénévole = de vrijwilliger
  • le château = het kasteel
  • mélanger = mengen
  • s’ennuyer = zich vervelen
  • le feu de camp = het kampvuur
  • paresser = luieren
  • l’activité = de activiteit
  • lire = lezen
  • le bouquin = het boek
  • l’aventure = het avontuur
  • rénover = opknappen
  • discuter = discussiëren
  • la différence = het verschil
  • dormir tard = uitslapen
  • faire la lessive = de was doen
  • se casser le pied = je voet breken
  • descendre = naar beneden gaan / afdalen
  • la marche = de tree / de traptrede
  • l’histoire = het verhaal
  • bouger = bewegen
  • se déplacer = zich voortbewegen
  • la béquille = de kruk
  • le voyage = de reis
  • j’en ai ras le bol = ik ben het zat
  • avancer = vorderen
  • prévoir = voorzien
  • s’appeler = heten
  • se promener = wandelen
  • lever = optillen
  • se lever = opstaan
  • se mettre à = beginnen te
  • rendre = teruggeven
  • se rendre à = zich begeven naar
  • tromper = bedriegen
  • se tromper = zich vergissen