Wozzol

Controleer altijd of een woordenlijst correct is voordat je hem gaat leren.

  • Frans Nederlands
  • la petite-fille = de kleindochter
  • le petit-fils = de kleinzoon
  • le frère = de broer
  • la soeur = de zus
  • appeler = opbellen / roepen
  • avoir raison = gelijk hebben
  • après = na
  • le divorce = de echtscheiding
  • rester = blijven
  • le beau-père = de stiefvader / de schoonvader
  • avoir besoin de = nodig hebben
  • volontiers = graag
  • le séjour = het verblijf
  • le cousin = de neef
  • la cousine = de nicht
  • discuter = bespreken
  • un rôle principal = een hoofdrol
  • le quartier = de wijk
  • diffuser = uitzenden
  • devenir = worden
  • le renard = de vos
  • l’oie = de gans
  • le loup = de wolf
  • seul = alleen
  • en ligne = online
  • un aller simple = een enkele reis
  • un aller retour = een retourtje
  • un problème = een probleem
  • exactement = precies
  • exagérer = overdrijven
  • un truc = een ding