Wozzol

Controleer altijd of een woordenlijst correct is voordat je hem gaat leren.

  • Frans Nederlands
  • exister = bestaan
  • la destination = de bestemming
  • un étranger = een buitenlander
  • se balader = wandelen
  • participer à = deelnemen aan
  • assister à = bijwonen
  • la lumière = het licht
  • partager = delen
  • garder = bewaren
  • se ficher de = lak hebben aan
  • si = als (indien)
  • le dortoir = de slaapzaal
  • en plus = bovendien
  • le lien = de link (internet)
  • aussi bien ... que = zowel ... als
  • le moniteur = de instructeur
  • l’État = de staat
  • améliorer = verbeteren
  • le séjour = het verblijf
  • passer = afleggen (van examen)
  • je m’ennuie = ik verveel me
  • arrêter = stoppen
  • courir = hardlopen
  • à part ça = behalve dat, afgezien daarvan
  • le circuit = het racecircuit, de racebaan
  • la plage = het strand
  • apporter = meenemen
  • le panneau = het bord
  • là-bas = daarginds
  • indiquer = aangeven
  • ramasser = verzamelen, bij elkaar rapen
  • l’amende = de boete