Wozzol

Controleer altijd of een woordenlijst correct is voordat je hem gaat leren.

  • Duits Nederlands
  • verständnisvoll = vol begrip
  • die Behörde = overheid
  • berufstätig = werkzaam
  • die Distanz = afstand
  • ersetzen = vervangen
  • kurzfristig = voor korte tijd
  • die Pflegefamilie = pleeggezin
  • die Veranstaltung = bijeenkomst
  • vermitteln = bemiddelend optreden
  • zeitlich = tijdelijk
  • anrufen = bellen
  • die Auseinandersetzung = discussie / conflict
  • damals = toentertijd
  • sich ertappen = zich betrappen
  • das Loch = gat
  • locker = los / losjes
  • die Marotte = kuur / gril
  • zerfranst = gerafeld
  • der Zügel = teugel
  • ansagen = omroepen
  • die Auswahl = keuze
  • sich dehnen = langer worden / zich uitstrekken
  • erwidern = antwoorden
  • der Frosch = kikker
  • jedenfalls = in ieder geval
  • die Kassiererin = caissière
  • der Kunde = klant
  • nerven = irriteren
  • der Reißverschluss = ritssluiting
  • der Schlüssel = sleutel
  • seufzen = zuchten
  • überhören = niet horen
  • der Winkel = hoek
  • zucken = trillen
  • die Fahne = vlag
  • die Farbe = kleur
  • fordern = eisen
  • der Hersteller = producent
  • die Hose = broek
  • die Klamotten = kleren
  • die Marke = merk
  • modisch = modern
  • die Schlaghose = wijde broek
  • der Spitzname = bijnaam
  • der Streifen = streep
  • der Unterricht = les
  • die Zeitung = krant
  • ablichten = fotograferen
  • sich auszahlen = lonend zijn
  • blödsinnig = onzinnig
  • erstrebenswert = begerenswaardig
  • fördern = stimuleren
  • der Hintern = achterwerk
  • schlaff = slap
  • sofort = onmiddellijk
  • der Spruch = uitspraak
  • die Stirn = voorhoofd
  • süchtig = verslaafd
  • vorschlagen = voorstellen
  • einräumen = toegeven
  • klären = ophelderen
  • offenbar = blijkbaar
  • schmeichelhaft = vleiend
  • das Volant = stuur
  • widerlegen = weerleggen
  • zufolge = volgens
  • anspruchsvoll = veeleisend
  • sich ausprägen = tot uitdrukking komen
  • der Baukasten = bouwdoos
  • bevorzugen = de voorkeur geven aan
  • entfalten = ontplooien
  • modifizieren = een andere vorm geven
  • die Pauschalreise = all-in reis
  • die Sehnsucht = verlangen
  • unbeliebt = niet geliefd
  • das Ziel = doel
  • geschickt = handig
  • gewiss = zeker
  • heutig = tegenwoordig
  • in erster Linie = in de eerste plaats
  • klar = duidelijk
  • die Lüge = leugen
  • öffentlich = in het openbaar
  • der Ratschlag = advies
  • zur Schau tragen = tonen