Wozzol

Controleer altijd of een woordenlijst correct is voordat je hem gaat leren.

  • Engels Nederlands
  • You should … = Je zou …
  • We’d better … = We kunnen maar beter ...
  • If I were you, I'd … = Als ik jou was, zou ik …
  • I’d like to suggest ... = Ik zou willen voorstellen …
  • May I give you some advice? = Mag ik je advies geven?
  • Thank you for … = Bedankt voor …
  • I’m grateful that … = Ik ben er dankbaar voor dat …
  • Much obliged! = Heel erg bedankt!
  • You shouldn't have! = Dat had je niet hoeven doen!
  • Cheers! = Proost!
  • Thanks all the same! / Thanks anyway! = Toch bedankt!
  • You’re welcome. / My pleasure. / Anytime! = Graag gedaan.
  • Don’t mention it. = Geen probleem.
  • I'm glad I could help. = Ik ben blij dat ik kon helpen.
  • It's so interesting to hear you're … = Interessant om te horen dat je …
  • So you're interested in … = Dus je bent geïnteresseerd in …
  • That's a great idea! = Goed idee!
  • I'm in! = Ik doe mee!
  • You really should … = Je zou eigenlijk …
  • It’s a sort of ... = Het is een soort …
  • It has the shape of a ... = Het heeft de vorm van …
  • It’s what you ... to … = Het is wat je … om …
  • It’s made of ... = Het is gemaakt van …
  • It has ... = Het heeft …
  • It is used to ... = Het wordt gebruikt om …
  • I'm worried about … / I'm anxious about … / I'm concerned about … = Ik maak me zorgen over …
  • I'm really nervous about … = Ik ben heel zenuwachtig voor …
  • I am so happy … = Ik ben zo blij …
  • I am glad … = Ik ben blij …
  • I am delighted … = Ik ben verheugd …
  • I think it is great … = Ik vind het geweldig …
  • I’d like to remark that ... = Ik wil graag opmerken dat …
  • Mind you, I do think that ... = Let wel, ik denk wel dat …
  • on the other hand = aan de andere kant
  • That may be true, but ... = Dat kan wel zo zijn, maar…
  • That’s great! / That's amazing! / That's wonderful! = Dat is geweldig!
  • That's awesome! = Dat is fantastisch!
  • It is great … = Het is geweldig …
  • It was exciting ... = Het was spannend (om) …
  • I was excited … = Ik was opgewonden (om) …
  • I’m really keen ... = Ik ben erg dol op …
  • Surely, it can’t be that bad. = Zo erg kan het toch niet zijn.
  • Don’t worry. = Maak je geen zorgen.
  • There’s no need to be upset. = Je hoeft je niet zo druk te maken.
  • Everything is all right. = Alles is in orde.
  • You’ll be fine! = Het komt goed met je!
  • In general, … / Generally speaking, … = Over het algemeen, …
  • on the whole = over het algemeen
  • As a rule, … = In de regel, …
  • In my opinion … = Naar mijn mening …
  • I think … = Ik denk …
  • I’m sure that … = Ik weet zeker (dat) …
  • I’m convinced … = Ik ben ervan overtuigd …
  • I’m of the opinion that ... = Ik ben van mening dat …
  • As far as I’m concerned ... = Wat mij betreft …
  • In my view, … = Volgens mij …
  • To me, … = Voor mij …
  • It seems to me that, … = Het lijkt mij dat ….
  • I was so relieved …. = Ik was zo opgelucht …
  • It was a relief … = Het was een opluchting …
  • It was a load off my mind … = Het was een pak van m'n hart …
  • Much to my relief ... = Tot mijn grote opluchting …
  • I doubt if ... = Ik betwijfel of …
  • I wonder if ... = Ik vraag me af …
  • I’m not sure if … = Ik weet niet zeker of …
  • It’s doubtful if … = Het is twijfelachtig of …
  • It's uncertain if … = Het is niet zeker dat …
  • What I’m trying to say is … = Wat ik probeer te zeggen is …
  • What I mean is … = Wat ik bedoel is …
  • In other words, … = Met andere woorden, …
  • Let me put it this way ... = Laat ik het zo stellen …
  • I beg your pardon? = Wat zegt u?
  • Would you mind repeating that please? = Zou je dat alsjeblieft willen herhalen?
  • Sorry, I don’t follow you. = Sorry, maar ik volg je niet.
  • Sorry, I didn't get your point. = Sorry, maar ik weet niet wat je bedoelt.
  • What was that again? = Wat zei je ook alweer?
  • Could you please say that again? = Zou je dat asjeblieft kunnen herhalen?
  • Could you be more explicit, please? = Zou je wat preciezer kunnen zijn, asjeblieft?
  • Do you mean …? = Bedoel je … ?
  • Does this mean …? = Betekent dit … ?
  • Why is it that … ? = Waarom is het dat …?
  • Can you explain why …? = Kun je uitleggen waarom …?
  • You've lost me, I'm afraid. = Volgens mij ben ik je kwijt.