Woordenlijsten Frans Films Monsieur Ibrahim

Monsieur Ibrahim et les fleurs du Coran
Woordenlijst met zinnen en woorden uit de film Monsieur Ibrahim et les fleurs du Coran.

Controleer altijd of een woordenlijst correct is voordat je hem gaat leren.

Acties:

Frans-Nederlands

 

Bon anniversaire = gefeliciteerd

Bon anniversaire, mon petit.

Van harte gefeliciteerd, mijn zoon.

l'argent = het geld

Donne. l'argent!

Geef me het geld.

le quartier = de buurt

Tu habites dans le quartier?

Woon je hier in de buurt?

le ticket = het bonnetje

T'as le ticket?

Heb je het bonnetje?

pris = genomen

J'ai pris mon suppositoire. Dépêche-toi!

Ik heb een laxeermiddel genomen! Haast je!

donne = geef

donne. L'argent!

geef me het geld.

quelqu'un = Iemand

On parle avec quelqu'un.

Je praat met Iemand.

sûr = zeker

- T'es sûr? Je connais quelqu'un qui peut.

Weet je dat zeker? Ik ken iemand die dat kan.

je connais = ik ken

- T'es sûr? je connais quelqu'un qui peut.

ik ken iemand die dat kan.

dimanche = zondag

On n'est pas dimanche.

Het is toch niet zondag.

Merci = bedankt

Merci. Au revoir.

bedankt. Tot ziens.

au revoir = tot ziens

Merci. au revoir.

Bedankt. tot ziens.

moins = minder

C'est moins impressionnant.

Dat is minder indrukwekkend.

impressionnant = indrukwekkend

C'est moins impressionnant.

Dat is minder indrukwekkend.

musulman = moslim

Je ne suis pas arabe, Momo. Je suis musulman.

Ik ben geen Arabier, Momo. Ik ben een moslim.

ouvert = open

ouvert de 8h du matin jusqu'à minuit

open van 8 uur tot middernacht ...

plus tard = later

Qu'est-ce que tu veux faire plus tard?

Wat wil je later doen?

silence = stilte

S.v.p., j'ai besoin d'un peu de silence.

stilte, alstublieft.

tu veux = wil je

Qu'est-ce que tu veux faire plus tard?

Wat wil je later doen?

vieux = oud

Je suis vieux.

Ik ben oud.

un bateau = een boot

Imagine que je suis dans un bateau avec ...

Stel je voor, ik in een boot met ...

le bateau = de boot

le bateau coule, qu'est-ce que je fais?

de boot zinkt. Wat doe ik?

bien sûr = natuurlijk

- Ah, bien sûr, voilà.

natuurlijk.

rare = zeldzaam

L'eau n'est pas rare

Water is niet zeldzaam

rien = niets

- Ah, je ne sais rien.

Ik weet niets.

voler = stelen

Si tu dois continuer à voler, j'aime autant que tu le fasses chez moi.

Als je echt moet stelen, dan heb ik liever dat je in mijn winkel steelt.

ce soir = vanavond

Qu'est-ce que je peux lui faire pour ce soir?

Wat zal ik vanavond voor hem koken?

tous les jours = elke dag

Et je change même de chaussettes tous les jours.

Ik trek zelfs elke dag verse sokken aan.

mauvais = slecht

- Pas mauvais.

Niet slecht.

mal = slecht

Elles sont pas si mal.

Ze zijn niet zo slecht.

froid = koud

- J'ai froid.

Ik heb het koud.

un livre = een boek

Prends un livre.

Lees een boek.

jamais = nooit

Mais moi, je vais jamais très vite.

Maar ik rij nooit erg snel.

le loyer = de huur

- Ça paye la marchandise et le loyer.

Dat geld betaalt voor de voorraad en voor de huur.

heureux = gelukkig

Je suis heureux, Momo.

Ik ben gelukkig, Momo.

on voit = je ziet

on voit des gens.

je ziet mensen.

prêt = klaar

C'est prêt. J'ai acheté du pâté et du beaujolais.

Het eten is klaar. Ik heb paté en Beaujolais gekocht.

quelque chose = iets

T'as oublié quelque chose?

iets vergeten?

elles sont = ze zijn

elles sont pas si mal.

ze zijn niet zo slecht.

regarde = kijk

regarde, c'est facile.

kijk, het is makkelijk.

bouche = mond

c'est ma bouche...

dit is mijn mond.

chouette = leuk

Ça doit être chouette d'habiter Paris.

Wonen in Parijs moet leuk zijn.

paris = Parijs

Ça doit être chouette d'habiter paris.

Wonen in Parijs moet leuk zijn.

j'habite = ik woon

Non, moi, j'habite rue Bleue.

Nee, ik woon in de Blauwe Straat.

beau = mooi

C'est trop beau ici, c'est pas pour moi.

Het is hier een beetje te mooi voor mij.

partout = overal

La beauté elle est partout, où que tu

overal waar je kijkt, kun je schoonheid vinden.

révéler = laten zien

Si Dieu veut te révéler la vie, il n'a pas besoin d'un livre.

Als God jou het leven wil laten zien, dan heeft hij geen boek nodig.

une façon = een manier

c'est une façon de penser.

het is een manier van denken.

une façon de = een manier van

c'est une façon de penser.

het is een manier van denken.

honnête = eerlijk

qu'il n'est pas toujours honnête.

Hij is niet altijd eerlijk.

mon père = mijn vader

Un ami de mon père.

Een vriend van mijn vader.

facile = makkelijk

Regarde, c'est facile.

Kijk, het is makkelijk.

la vie = het leven

Si Dieu veut te révéler la vie, il n'a pas besoin d'un livre.

Als God jou het leven wil laten zien, dan heeft hij geen boek nodig.

un frère = een broer

Tu as un frère?

Je hebt een broer?

il vit = hij woont

il vit avec ma mère.

hij woont bij mijn moeder.

je crois = ik denk

je crois que Myriam est amoureuse de moi.

ik denk dat Myriam verliefd is op mij.

amoureuse = verliefd

Je crois que Myriam est amoureuse de moi.

Ik denk dat Myriam verliefd is op mij.

tôt = vroeg

Il a beaucoup de travail. Il doit partir très tôt avec son nouveau boulot.

Hij vertrekt elke morgen vroeg naar zijn nieuwe baan.

boulot = baan

Il a beaucoup de travail. Il doit partir très tôt avec son nouveau boulot.

Hij vertrekt elke morgen vroeg naar zijn nieuwe baan.

je comprends = ik begrijp

Et puis je comprends pas grand-chose.

ik begrijp er nog niet zo veel van.

parle = praat

On parle avec quelqu'un.

Je praat met iemand.

depuis = sinds

Elle en aime un autre. depuis hier.

Ze heeft een nieuw vriendje sinds gisteren.

hier = gisteren

Elle en aime un autre. Depuis hier.

Ze heeft een nieuw vriendje sinds gisteren.

perdu = verloren

C'est perdu à jamais.

Dat is voor altijd verloren.

aller = gaan

Viens, on va aller se rafraîchir.

Kom, we gaan ons afkoelen.

on va = we gaan

Viens, on va prendre un thé.

Kom, we gaan thee drinken.

comprendre = begrijpen

On peut pas tout comprendre avec la tête.

Je kunt niet alles begrijpen met het hoofd.

fou = gek

Tu es fou! Lâche-moi.

Je bent gek! Hou op!

on a = we hebben

Mon garçon, on a une mauvaise nouvelle.

we hebben slecht nieuws, jongen.

mort = dood

Mais dans 15 jours, je serai mort!

Ik kan dood zijn over twee weken!

sous = onder

Votre père a été retrouvé mort sous un train, près de Marseille.

Je vader is dood gevonden onder een trein in de buurt van Marseille.

un train = een trein

Votre père a été retrouvé mort sous un train, près de Marseille.

Je vader is dood gevonden onder een trein in de buurt van Marseille.

je veux = ik wil

je veux pas le voir!

ik wil hem niet zien.

un ami = een vriend

un ami de mon père.

een vriend van mijn vader.

malade = ziek

Il est malade?

Is hij ziek?

la porte = de deur

la porte était ouverte.

de deur was open.

la musique = muziek

Il aime la musique?

Hij houdt van muziek?

tu veux = je wilt

- Demain, si tu veux.

Morgen, als je wilt.

le nom = de achternaam

Épelez le nom.

Spel de achternaam.

difficile = moeilijk

ça serait déjà très difficile.

zou het al moeilijk genoeg zijn.

très = erg

Mais moi, je vais jamais très vite.

Maar ik rij nooit erg snel.

mon ami = mijn vriend

Avec mon ami Abdullah. Mais...

met mijn vriend Abdullah, maar ....

une voiture = een auto

C'est comme une femme, une voiture. - Pourquoi vous me l'avez pas dit avant?

-een auto is als een vrouw. -Waarom zei U dat niet eerder?

une femme = een vrouw

C'est comme une femme, une voiture.

-Een auto is als een vrouw.

à droite = naar rechts

ça c'est un virage à droite.

Dat is een bocht naar rechts.

vite = snel

Mais moi, je vais jamais très vite.

Maar ik rij nooit erg snel.

le moteur = de motor

Coupez le moteur.

Zet de motor af.

touristique = toeristisch

c'est touristique.

dat is toeristisch.

la Suisse = Zwitserland

Ben oui! C'est la Suisse.

Jazeker, dit is Zwitserland!

bonheur = geluk

c'est ça, le secret du bonheur.

... Dat is de sleutel tot geluk.

le temps = de tijd

Ils prennent le temps de nous regarder passer.

Mensen nemen de tijd om ons te zien passeren.

un jour = op een dag

qui un jour...

... Die op een dag in

un jour = een dag

qui un jour...

... Die op een dag in

penser à = denken aan

Je vais vous faire de la peine, mais j'arrête pas de penser à la rue Bleue.

Niet kwaad worden, maar ik blijf maar denken aan de Blauwe Straat.

danser = dansen

- Je vais te faire danser.

Ik zal je eens laten dansen.

autour de = rond

Ils tournent autour de leur cœur.

Ze draaien rond hun hart.

prier = bidden

C'est ça prier?

Is dat bidden?

français = Frans

Je suis français.

Ik ben Frans.

hommes = mannen

Pour des hommes comme toi et moi - pas

Voor gewone mannen zoals jij en ik ...

toi et moi = jij en ik

Pour des hommes comme toi et moi - pas

Voor gewone mannen zoals jij en ik ...

la montagne = de berg

Tu vas m'attendre ici. J'en ai pas pour longtemps. C'est derrière la montagne.

Jij blijft hier. Het zal niet lang duren, het is aan de andere kant van de berg.

je vais = ik ga

je ne sais pas ce que je vais trouver.

Ik weet niet wat ik ga vinden.

trouver = vinden

je ne sais pas ce que je vais trouver.

Ik weet niet wat ik ga vinden.

même si = zelfs als

même si elle n'est pas bleue.

... zelfs als het niet blauw is.

voici = dit is

'voici mes dernières volontés.

''dit is mijn testament.