Wozzol

Controleer altijd of een woordenlijst correct is voordat je hem gaat leren.

  • Italiaans Nederlands
  • Puoi andare tu a prendere Rebecca a scuola? = Kun jij Rebecca van school ophalen?
  • andare a prendere = iem ophalen / iem afhalen
  • perché = waarom / omdat
  • Ho un appuntamento dal dentista. = Ik heb een afspraak bij de tandarts
  • l'appuntamento = de afspraak
  • il dentista / la dentista = de tandarts
  • Allora devo finire di lavorare prima. = Dan moet ik eerder stoppen met werken.
  • dovere = moeten
  • prima = eerder
  • Senti! = Luister!
  • sentire = luisteren / horen
  • devi lavorare = je moet werken
  • il turno (di mattina) = de (ochtend)dienst
  • per fortuna = gelukkig
  • stare a casa = thuis zijn / thuisblijven
  • mia madre = mijn moeder
  • di nuovo = weer / opnieuw
  • Dobbiamo fare sempre le stesse cose? = Moeten we altijd hetzelfde doen?
  • stesso / stessa = dezelfde / hetzelfde
  • la cosa = het ding / de zaak
  • il cinema = de bioscoop