Wozzol

Controleer altijd of een woordenlijst correct is voordat je hem gaat leren.

  • Spaans Nederlands
  • Por la mañana = ’s ochtends
  • Llegar a… = Aankomen in…/bij…
  • Simpático = Aardig
  • Detrás de la sala de recreo = Achter de recreatieruimte
  • Aconsejar = Adviseren/aanbevelen
  • Todos los hoteles/todas las habitaciones = Alle hotels/alle kamers
  • Sólo = Alleen maar/slechts
  • Hacer barbacoa = Barbecueën
  • Empezar = Beginnen/comenzar
  • Pagado = Betaald (bijvoeglijk naamwoord)
  • Pagar = Betalen
  • Guardar = Bewaren
  • Casi = Bijna
  • Quedarse = Blijven
  • Llevar = Brengen / Meenemen
  • Fuera del centro de la ciudad = Buiten het stadscentrum
  • Estar de mal humor = Chagrijnig zijn
  • Allí = Daar
  • Después = Daarna
  • Luego = Dan
  • La primera calle a la izquierda = De 1e straat links
  • La segunda calle a la derecha = De 2e straat rechts
  • El fregadero de platos = De afwasplaats
  • La animación = De animatie
  • El médico/la médica = De arts/dokter (man/vrouw)
  • El coche = de auto
  • Las Islas Baleares = De Balearen
  • La tarjeta bancaria = De bankpas
  • La zona de barbacoa = De barbecuezone
  • La planta baja = De begane grond
  • El lugar de interés = De bezienswaardigheid
  • El barco = de boot
  • El paseo en barco = De boottocht / De rondvaart
  • El autobús = de bus
  • La parada de autobús = De bushalte
  • El paseo en autobús = De bustour
  • El camping dispone de… = De camping beschikt over…
  • El día de salida = De dag van vertrek/vertrekdag
  • La discoteca = De discotheek
  • El puesto de primeros auxilios = De eerste hulp/EHBO post
  • La bicicleta = de fiets
  • El paseo en bicicleta = De fietstocht
  • El jefe/la jefa de recepción = De front office manager (man/vrouw)
  • La parada = De halte
  • La toalla = De handdoek
  • El puerto = De haven
  • La capital = De hoofdstad
  • La pista de petanca = De jeu des boulesbaan
  • La habitación todavía está ocupada = De kamer is nog bezet
  • Dejar la habitación = De kamer verlaten
  • La taquilla = De kassa/het loket
  • La catedral = De kathedraal
  • La iglesia = De kerk
  • La carta de reclamación/carta de queja = De klachtenbrief
  • El reloj = De klok
  • El rey = De koning
  • La reina = De koningin
  • La oferta de última hora = De last minute aanbieding
  • La línea = De lijn
  • El aeropuerto = De luchthaven
  • El mercado = De markt
  • El metro = de metro
  • La tarde = De middag
  • El Mar Mediterráneo = De Middellandse zee
  • El campo de minigolf = De midgetgolfbaan
  • La moto = De motor
  • La noche = De nacht
  • La salida de emergencia = De nooduitgang
  • La sala de desayuno = De ontbijtzaal
  • Los papeles = De papieren
  • El paraguas = De paraplu
  • El cajero automático/telebanco = De pinautomaat
  • La plaza = De plaats (in een accommodatie of voor een excursie) / Het plein
  • La oficina de recepción = De receptie
  • La sala de recreo = De recreatieruimte
  • Los documentos de viaje/los papeles de viaje = De reispapieren
  • La sauna = De sauna
  • La barrera cierra a las 22.00 (de la noche) = De slagboom sluit om 22.00
  • Las calles estrechas = De smalle straatjes
  • La sala de juegos = De speelhal
  • El parque infantil está al lado derecho = De speeltuin is aan de rechterkant
  • El plano de la ciudad = De stadsplattegrond
  • Las prácticas = De stage
  • El/la estudiante en prácticas = De stagiair (man/vrouw)
  • El chiringuito = De strandtent
  • El taxi = De taxi
  • La pista de tenis/la cancha de tenis = De tennisbaan
  • El acceso = De toegang
  • El tranvía = De tram
  • Tomar el tren = De trein nemen
  • El servicio de transporte = De vervoerservice
  • El estanque = De vijver
  • El partido de fútbol = De voetbalwedstrijd
  • El espectáculo = De voorstelling
  • Los objetos de valor = De waardevolle spullen
  • El paseo = De wandeling
  • La lavandería = De wasplaats
  • La Haya = Den Haag
  • Cerca del edificio sanitario = Dicht bij het toiletgebouw
  • Diversos = Diverse
  • A través de = Door middel van / Via
  • Caro = Duur
  • Tomar un helado = Een ijsje eten
  • Una habitación con 2 camas = Een kamer met 2 bedden
  • Una buena oferta = Een mooie aanbieding
  • Una habitación más tranquila = Een rustigere kamer
  • Hacer un paseo = Een tocht maken
  • Dar un paseo = Een wandeling maken
  • Primero = Eerst
  • Terminar = Eindigen
  • Sacar dinero = Geld pinnen
  • Dar = Geven
  • Ayer = Gisteren
  • Jugar al golf = Golfen
  • De forma gratuita = Gratis
  • El cartel = Het aanplakbiljet
  • El equipo de animación = Het animatieteam
  • La respuesta = Het antwoord
  • Empieza a las 10.00 = Het begint om 10.00
  • El barquito = Het bootje
  • La isla = Het eiland
  • El jefe/la jefa de animación = Het hoofd van het animatieteam (man/vrouw)
  • El helado = Het ijsje
  • Vale la pena = Het is de moeite waard
  • Está cerca del…/de la… = Het is dicht bij de…/het…
  • Está abierto de las 9.00 a las 14.00 = Het is geopend van 9.00 tot 14.00
  • Hace mucho calor = Het is heel warm weer
  • Hace frío = Het is koud weer
  • No está incluido en el precio = Het is niet bij de prijs inbegrepen
  • No está permitido = Het is niet toegestaan
  • Hace mal tiempo = Het is slecht weer
  • La tarjeta/el billete = Het kaartje
  • El número de su habitación es el 231 = Het kamernummer is 231
  • El castillo = Het kasteel
  • El palacio real = Het koninklijk paleis
  • La temporada baja = Het laagseizoen
  • El país = Het land
  • El parque natural/parque nacional = Het natuurgebied
  • El norte = Het noorden
  • El nordeste/ noreste = Het noordoosten
  • El noroeste = Het noordwesten
  • El este = Het oosten
  • El caballo = Het paard
  • El palacio = Het paleis
  • El parador = Het parador/luxe staatshotel
  • El parque = Het park
  • Llueve = Het regent
  • El permiso de conducir/ el carnet de conducir = Het rijbewijs
  • Cierra a las 18.00 = Het sluit om 18.00
  • El polideportivo = Het sportcomplex
  • La estación = het station
  • El edificio sanitario = Het toiletgebouw
  • El medio de transporte = Het vervoermiddel
  • El avión = Het vliegtuig
  • El estadio de fútbol = Het voetbalstadion
  • El oeste = Het westen
  • El sur = Het zuiden
  • El sureste = Het zuidoosten
  • El suroeste = Het zuidwesten
  • ¿Para ir a la estación? = Hoe kom ik bij het station?
  • ¿Qué hora es? = hoe laat is het?
  • ¿A qué hora puedo desayunar? = Hoe laat kan ik ontbijten?
  • ¿A qué hora se sirve el desayuno? = Hoe laat wordt het ontbijt geserveerd?
  • ¿A qué hora? = Hoe laat?
  • Cada media hora = Ieder half uur/om het half uur
  • Cada cuarto de hora = Ieder kwartier/om het kwartier
  • Cada hora = Ieder uur/om het uur
  • Cada 10 mintutos = Iedere 10 minuten/om de 10 minuten
  • Le aconsejo… = Ik adviseer u…
  • En forma de buffet = In buffetvorm
  • En el centro = In het centrum
  • Incluido = Inbegrepen
  • ¿Hay un cine por aquí? = Is er een bioscoop in de buurt?
  • ¿Hay ascensor? = Is er een lift?
  • ¿Hay televisión/teléfono en la habitación? = Is er televisie/telefoon op de kamer?
  • ¿El desayuno está incluido? = Is het ontbijt daarbij inbegrepen?
  • ¿Puedo pagar con tarjeta de crédito? = Kan ik met een creditcard betalen?
  • Niños menores de 9 años = Kinderen onder de 9 jaar
  • Comprar = Kopen
  • Obtener = Krijgen/verkrijgen
  • A la izquierda de la oficina de recepción = Links van de receptie
  • De lujo/lujoso = Luxe/luxueus
  • Con 2 camas separadas = Met 2 aparte bedden
  • Con media pensión = Met halfpension
  • Con pensión completa = Met volpension
  • Bonito = Mooi
  • Hacia arriba = Naar boven
  • Girar a la derecha = Naar rechts gaan/afbuigen
  • Al lado del campo de fútbol = Naast het voetbalveld
  • Holandés/holandesa = Nederlands
  • Poner = Neerleggen/neerzetten
  • Ahora = Nu
  • Porque = Omdat/want
  • Estar descontento de... = Ontevreden zijn over...
  • ¿En qué régimen? = Op basis van welke verzorging?
  • En el segundo/tercer/cuarto piso = Op de 2e/3e/4e verdieping
  • En este momento = Op dit moment
  • En un piso bajo = Op een lage verdieping
  • Al final de la calle = Op het einde van de straat
  • A tiempo = Op tijd
  • ¿En qué piso está la habitación? = Op welke verdieping is de kamer?
  • Abrir = Openen/open gaan
  • Organizar = Organiseren
  • Histórico = Oud
  • Dentro de unos minutos = Over een paar minuten
  • Entregar = Overhandigen/afgeven
  • Montar a caballo = Paardrijden
  • Por persona = Per persoon
  • Popular = Populair
  • Todo recto = Rechtdoor
  • Seguir todo recto = Rechtdoor gaan
  • A la derecha del supermercado = Rechts van de supermarkt
  • Llover = Regenen
  • Fumar = Roken
  • Tranquilo = Rustig (bijvoeglijk naamwoord)
  • Limpio = Schoon
  • Escribir = Schrijven
  • Desde = Sinds
  • Cerrar = Sluiten
  • Hablar con el señor Márquez = Spreken/praten met de heer Márquez
  • Hacer prácticas = Stage lopen
  • Enfrente de la barrera = Tegenover de slagboom
  • Finalmente = Tenslotte/uiteindelijk
  • Volver = Teruggaan/terugkeren
  • Tener tiempo para = Tijd hebben om
  • El/la turista = Toerist (man/vrouw)
  • Hasta = Tot
  • Hasta la plaza = Tot aan het plein
  • Entre la pista de tenis y el campo de minigolf = Tussen de tennisbaan en de midgetgolfbaan
  • Tiene que seguir los letreros = U moet de borden volgen
  • Tiene que tomar el autobús = U moet de bus nemen
  • Tiene que girar a la izquierda = U moet naar links gaan/afbuigen
  • Tiene que seguir todo recto = U moet rechtdoor
  • Salir = Uitgaan / Vertrekken
  • Bajar = Uitstappen (openbaar vervoer)
  • A partir de la una/las dos = Vanaf 13.00/14.00 uur
  • Navegar en = Varen op…
  • Estar lejos = Ver weg zijn
  • Explorar = Verkennen
  • Delante de = Voor (plaatsbepaling)
  • Antes de = Voor (tijdsbepaling)
  • Para 2 semanas = Voor 2 weken
  • Delante del aparcamiento = Voor de parkeerplaats
  • Temprano = Vroeg/op tijd
  • ¿Dónde está la sala de recreo? = Waar bevindt zich de recreatieruimte?
  • Fregar = Wassen/poetsen
  • ¿Cuál es el precio de esta habitación? = Wat is de prijs van deze kamer?
  • ¿Cuál es el número de mi habitación? = Wat is mijn kamernummer?
  • Estar enfermo = Ziek zijn
  • Tener ganas de = Zin hebben in